Bram de Jong (24) uit Medemblik is tijdens de inval van het Duitse leger in Nederland krijgsgevangen gemaakt. In 1941 wordt hij voorlopig vrijgelaten. Met zijn marinevrienden Jan Storm van ‘s Gravesande (‘Storm’) en Wim Coolhaas beraamt hij een ontsnapping naar Engeland in een kleine boot. Op 28 april gaat de jol te water en De Jong en Storm stappen snel in. Coolhaas staat tot zijn middel in het ijskoude water om de jol vrij van de grond te houden. Daarna duwt hij hen af en wenst hen behouden vaart.

Op zee roeien Bram en Storm met de wind mee tot ze ver uit de kust zijn. Ze proberen de motor te starten, maar die slaat niet aan. Het gaat steeds harder waaien en de golven worden hoger. Door vermoeidheid zien de mannen geen kans meer om de kop van de jol op de aanschietende golven te houden. Van het ene moment op het andere staat de jol vol met water. Urenlang liggen beide mannen in het koude zeewater, zich vastklampend aan de drijvende jol. Tegen de avond, net als ze de moed willen opgeven, wordt het tweetal opgemerkt door een Britse torpedobootjager en aan boord genomen. Bram verliest hierbij zijn armbandje. Vijftig jaar later vindt visser Willem van Ingen het kettinkje tijdens het makreelvissen terug in zijn net.